Standaard tekst voor de HEADER BUBBLE!

STANDAARD BUTTON TEKST

Dirk en Johan Boot, oprichters scheepsmotorenfabriek ‘de Industrie’

Rond 1909 begon Johannes Boot met de voorbereidingen om in Alphen a/d Rijn een scheepsmotorenfabriek op te zetten. Daarmee legde hij de grondslag voor de Industriemotorenfabriek, nog altijd een náám op het gebied van scheepsvoortstuwingen, hoewel de fabricage van deze motoren al enige tijd is stopgezet. Toch draaien er nog altijd vele honderden van deze motoren, dag-in, dag-uit naar volle tevredenheid van hun eigenaren. Dat zegt wel iets over de kwaliteit van deze voortstuwers!.
Hoewel Johannes Boot (geboren in 1886) grondlegger is van de Industriemotorenfabriek, moet zijn vader Dirk worden gezien als de geestelijk vader van deze fabriek. In 1887 had Dirk Boot de werf overgenomen die zijn vader in 1851 bij de Gouwsluis in Alphen a/d Rijn had gesticht.

Toen Dirk Boot de werf van zijn vader had overgenomen, schakelde hij snel over van de bouw van houten naar ijzeren schepen. In 1890 bouwde hij de eerste ijzeren tjalk, gevolgd door boeiers en schoeners. Dirk Boot moet een vooruitstrevend man zijn geweest die een open oog had voor nieuwe technische ontwikkelingen. In 1897 bouwde hij het eerste motorschip. Scheepsmotoren stonden toen nog in de kinderschoenen. Desondanks zag Dirk Boot een grote toekomst voor dit nieuwe type scheepsvoortstuwing. Hij kwam er toen echter niet toe om zijn ideeën over de bouw van motoren in praktijk te brengen, want hij had de handen vol om zijn nieuwbouwwerf te leiden die in 1900 de naam “De Vooruitgang” kreeg. Ook zijn gezin zal de nodige aandacht gevergd hebben: Dirk Boot en zijn echtgenote Gerrarda Jongeneel hadden acht zonen en twee dochters. Verschillende zonen speelden in de volgende decennia een belangrijke rol op de werf, waarin 1907 zo´n honderd man werkten. Een jaar later stichtte Dirk Boot een tweede werf in Alphen a/d Rijn voor het uitvoeren van scheepsreparaties. Die werf kreeg de naam “De Industrie”.Motorenbouw:
Dirk Boot´s tweede zoon Johannes had onmiskenbaar een technische knobbel. Vader Dirk zag in Johannes dan ook dé man om zijn ideeën over de motorenbouw in praktijk te brengen. En Johannes had daar zeker oren naar. Al op de Ambachtschool in Leiden was het zijn lust en zijn leven om te sleutelen aan de daar opgestelde stoommachine. Hij beschikte over een helder verstand. Naast de praktische zaken op de Ambachtschool volgde hij ook een wiskundeopleiding. Na in april 1903 beide opleidingen met succes te hebben afgerond, wist vader Dirk zijn zoon te plaatsen op het Rheinische Technicum in Bingen (vergelijkbaar met de enige jaren later in Nederland gestichte Middelbare Technische Scholen (later “opgewaardeerd” tot HTS´en).In oktober 1905 studeerde Johannes af en een maand later begon hij bij de Kromhout Motorenfabriek in Amsterdam. Jan Goedkoop had toen al internationaal naam gemaakt met de door hem ontwikkelde petroleummotor. Johannes Boot bouwde mee aan de eerste serie motoren die Kromhout op de markt bracht. In februari 1907 stapte Johannes over naar de Noord-Nederlandse Machinefabriek in Winschoten en na een jaar naar de Arnhemsche Stoomhelling Maatschappij, waar hij anderhalf jaar werkte (zowel op de tekenkamer als in de machinefabriek). Ook voer hij in die tijd gedurende vijf weken als machinist op een Rijnsleper.In augustus 1909 vonden vader en zoon Boot de tijd gekomen om te beginnen met de voorbereidingen voor een eigen motorenfabriek. Naast deze voorbereidingen hield Johannes zich ook bezig met de constructie van enige stalen bruggen.

Op 12 september 1910 werd op het werfterrein van “De Industrie” de (eerste) motorenfabriek van Boot geopend. Dit was wel een wat weidse benaming voor het 230 m2 grote werkplaatsje, waarmee een investering van 4000 gulden gemoeid was. Het personeel bestond uit …. Johannes Boot en de toen 18-jarige J.C. Terlouw die was aangenomen als monteur-bankwerker. De naam van de fabriek (en haar producten) werd met weinig fantasie gekozen: “Industrie”.

Johannes Boot en zijn assistent hebben in de volgende jaren heel wat afgeploeterd, voordat hun eerste motor betrouwbaar genoeg was om als scheepsvoortstuwer te worden ingebouwd. Dat gebeurde in een beurtscheepje van de fa. Braat & Co. uit Alphen a/d Rijn. Deze motor leed aanvankelijk aan heel wat kinderziekten. Nadat die waren overwonnen, verzorgde de motor vele jaren de voortstuwing van het schip in de lijndienst tussen Alphen a/d Rijn en Rotterdam.

In de zomer van 1913 vond men de tijd rijp om met de Industriemotor in het daglicht te treden. Tezamen met een vrachtschip, gebouwd door “De Vooruitgang”, werd een 60 pk Industriemotor gepresenteerd op de Eerste Nederlandse Tentoonstelling Op Scheepvaartgebied (ENTOS) in Amsterdam. Dit motorschip werd later verkocht aan Rederij De IJssel in Gouda. In 1913 bouwde men nog verschillende motoren met een totaal vermogen van 500 pk.

De Eerste Wereldoorlog gooide al gauw roet in het eten van het prille motorenfabriekje. In 1917 was het totale vermogen van de afgeleverde motoren geslonken tot 200 pk als gevolg van brandstof- en materiaalschaarste. Vader en zoon Boot zaten echter niet bij de pakken neer. Zij hadden in die tijd de in Nederland geÏnterneerd Belgische ir. Dumont aangetrokken om de door Johannes Boot ontwikkelde motor verder te perfectioneren. Naast motoren fabriceerde de motorenfabriek in de Eerste Wereldoorlog ook granaathulzen en landbouwwerktuigen.

Vader en zoon Boot zagen ondanks de matige verkoopresultaten de toekomst van de motorenfabriek met vertrouwen tegemoet (en terecht!) Daarom namen ze in 1917 een nieuwe motorenfabriek in gebruik (met een vloeroppervlak van 800 m2). In 1918 steeg het totale vermogen van de door hen gebouwde motoren alweer tot 800 pk en er werden er zelfs enige geëxporteerd. In 1921 bleek de motorenfabriek voor een belangrijk deel bij te dragen aan de redding van de werven.

Door het ineenstorten van de scheepvaartmarkt, konden verschillende opdrachtgevers van schepen (met name zeilloggers en motorschoeners) die door Boot waren gebouwd, niet aan hun verplichtingen voldoen. Daarbij trad de in Alphen a/d Rijn alom gerespecteerde houthandelaar Jetse Spreij als redder op. Dirk Boot en Jetse Spreij waren bevriend met elkaar (en ouderling bij de zelfde kerk). Bovendien trouwde Jacobus Boot (zoon van Dirk Boot en broer van Johannes Boot) in 1921 met Maartje Spreij (dochter van Jetse’s broer Thomas Spreij). Het vertrouwen in de motorenfabriek gaf echter de doorslag om de onderneming van Boot te redden. In verband hiermee werden de werven en de motorenfabriek ondergebracht in N.V.

D. & Joh. Boot. Tot 1925 hielden echter de positieve resultaten van de motorenfabriek de verliesgevende werven op de been. Daarna kwamen deze weer tot bloei.

In 1925 werd ook de eerste moderne motorcoaster door Boot gebouwd. Verder kregen de reparatiewerf en de motorenfabriek het druk met het verlengen en motoriseren van zeilloggers.

In 1930 werd de derde Industriemotorenfabriek geopend, waarmee een investering van 200.000 gulden was gemoeid. De fabriek had een bebouwd vloeroppervlak van 4000 m2 en deze beschikte tevens uit ruime kantoor- en tekenkamerfaciliteiten. Het personeelsbestand van 130 medewerkers die in 2-ploegendienst werkten, breidde al snel uit tot 150. Er werden in 1931 motoren met een totaal vermogen van 5800 pk afgeleverd. Op de werven werkten toen 200 personeelsleden.

Van gloeikopmotor naar turbodiesel Tot 1931 werden alleen middeldruk (gloeikop) motoren door Industrie gebouwd. Deze hadden als belangrijkste kenmerken dat ze relatief goedkoop in aanschaf, bedrijfszeker, eenvoudig geconstrueerd en gemakkelijk te bedienen waren. Nadelen ten opzichte van hoge druk dieselmotoren waren dat ze voorgegloeid moesten worden bij het starten en dat ze een hoger brandstofverbruik hadden. De Duitse ir. O. Schlimbach die ir. Dumont had opgevolgd, kreeg de opdracht om een zo eenvoudig mogelijke en bedrijfszekere 4-tact diesel te ontwerpen die in 1932 werd geïntroduceerd. De markt reageerde echter, mede door de recessie, zeer afwachtend. Daardoor daalde de productie in 1932 tot 1/3e van het jaar ervoor.

Pas na 1936 was er zowel in de scheeps-, als motorenbouw weer een opleving merkbaar. Het duurde echter tot 1939 voordat de productie die van 1931 evenaarde: er werden toen motoren met een totaal vermogen van 5650 pk afgeleverd. In dat jaar nam Dirk Boot (zoon van Johannes) die afgestudeerd was aan de TH in Delft, de taak van ir. Schlimbach over, waarna deze terug naar Duitsland ging. Dirk Boot jr. kreeg met name de taak om diesels met grotere vermogens te ontwikkelen. Zo groeide het gemiddelde vermogen van de door Industrie gebouwde diesels tussen 1931 en 1949 van 46 pk naar 150 pk.

De sterkere Industriediesels die in de jaren ´50 en ´60 werden gebouwd, veroverden een belangrijke plaats als voortstuwers van met name coasters, sleepboten en vissersvaartuigen. Daarnaast kregen ze ook regelmatig stationaire toepassingen, zoals in poldergemalen.

In de jaren ´70 en ´80 nam de vraag naar diesels met grotere vermogens sterk toe. De ontwikkeling van een nieuw type turbodiesel ging echter de financiële draagkracht van een relatief kleine motorenfabriek als Industrie te boven. Dat gold trouwens ook voor de Brons Motorenfabriek in Appingedam die voor de zelfde problemen werd gesteld. Deze ontwikkeling luidde ook het einde in voor de Industrie motorenfabriek in Alphen a/d Rijn. Reeds eerder hadden trouwens de werven van Boot het loodje gelegd…. Zowel Industrie als Brons klopten in de tweede helft van de jaren ´70 aan bij de Overheid om steun voor de ontwikkeling van een nieuwe turbodiesel. Hans Terlouw (kleinzoon van J.C. Terlouw, die in 1909 als eerste medewerker door Johannes Boot werd aangetrokken) hierover: “Den Uyl was van mening dat er maar één Nederlands bedrijf voor een dergelijke steun in aanmerking diende te komen. Daarvoor was dan een fusie nodig van Industrie met Brons. En dat betekende de sluiting van de vestiging in Alphen a/d Rijn omstreeks 1979 ten gunste van de werkgelegenheid in Groningen….”

Machinefabriek en Reparatiebedrijf J.C. Terlouw is al bijna 90 jaar nauw betrokken bij Industriemotoren. Na 14 jaar bij de Industriemotorenfabriek gewerkt te hebben, begon J.C. Terlouw in 1924 voor zichzelf met het inbouwen en repareren van Industriemotoren, naast het uitvoeren van allerlei andere technische werkzaamheden in schepen.

“De beoogde reeks TD Industrie-Bronsmotoren kwam inderdaad op de markt”.

“In de jaren ´80 werd nog een flink aantal 2-tact lijn- en V-motoren (met vermogens tussen 600 en 4000 pk bij 300 / 600 omw. / min.) gebouwd in Appingedam. De ongunstige situatie in de scheepsbouw heeft er echter toe geleid dat de onderneming omstreeks 1992 stopte met de bouw van scheepsdiesels. Het bedrijf werd toen overgenomen door Waukesha en voor zover ik weet worden er nu nog alleen gasmotoren gebouwd”.

“In 1981 is door J.C. Terlouw de Brons-Industrie reparatieafdeling in IJmuiden overgenomen. Nog altijd maakt de onderdelen-levering, de reparatie en revisie van Industriemotoren een vrij belangrijk deel uit van onze activiteiten. Het gaat nog altijd om vele honderden van deze motoren!”.