Standaard tekst voor de HEADER BUBBLE!

STANDAARD BUTTON TEKST

Burgemeester van Winsum tot Hilversum: Joost Johannes Gerardus Boot

burgemeester Joost Boot
Joost geportretteerd door de schilder Willink
Burgemeester Boot kreeg in Hilversum de bijnaam ‘showBoot’ omdat hij graag in de belangstelling stond.
burgemeester Joost Boot
Burgemeester Boot bij zijn afscheid
burgemeester Joost Boot
Burgemeester Joost Boot in de show van Mies Bouman ‘ Mies en scene’ (28-03-1973)
Joost Johannes Gerardus Boot werd op 12 december 1902 geboren in Haarlemmermeer. Hij was onder meer burgemeester van Winsum (vanaf 1928), Wisch en Terborg (tijdens WOII), Ede (1946-1951) en Hilversum (1951-1968). Hij overleed op 20 januari 2002 in Oudemirdum, Friesland, NLD.

Over zijn rol tijdens de Tweede Wereldoorlog:
Burgemeester Boot van de Achterhoekse gemeente Wisch en Terborg wil zo lang mogelijk aanblijven. ‘Ik geloof dat we tegenover de bezetter mogen liegen en bedriegen als het Nederlandse belang ermee gediend is.’ In juni 1943 schrijft hij nog: ”t Is in één woord een genot om de ene Duitse instantie tegen de andere uit te spelen.’ Maar in september 1944 kan hij er niet onderuit om 500 mensen te leveren voor werk aan de Duitse verdedigingslinie langs de IJssel. Hij besluit af te treden en duikt onder.

De tekst van zijn “In memoriam” in het Nieuwsblad Ede-stad:
Ouderen onder ons die de onlangs overleden burgemeester Boot gekend hebben, zullen het met mij eens zijn dat hij blijkbaar geliefd was onder de bevolking. Altijd was hij bereid om iedereen te woord te staan. Maar hij was ook een doortastend man en ging moeilijkheden niet uit de weg. Ik doe hier een kort verslag van. De Grotestraat in Ede was op bepaalde punten te smal en dat betrof het gedeelte naast de kerk waar het huis stond van H. Staf. Hij was boswachter van Kernhem (ik ben hem opgevolgd) en in dienst van graaf Bentinck. Nu had hij voor zijn huis nog een flinke tuin en de gemeente wilde er een paar meter van af halen. Staf was niet alleen boswachter, maar ook `schatter` (tegenwoordig taxateur) en heeft onder meer meegeholpen bij de taxatie van de tiende-verpachtingen die toen werden opgeheven. Staf had al herhaaldelijk mensen bij zich gehad van de gemeente om over de prijs te onderhandelen, maar ze konden niet tot een akkoord komen. Op een morgen om zeven uur kwam Staf met een sneltreinvaart naar mijn huis fietsen op Kernhem. Ik dacht: Die heeft wat bijzonders. En jawel hoor: `Kom s.v.p. om tien uur bij mij, want de burgemeester wil praten over de prijs`. Om klokslag tien uur zaten we bij elkaar. De burgemeester zei: `Meneer Staf, ik weet dat jij een ervaren schatter bent en we worden het vanmorgen eens over de prijs, want om half twee heb ik de firma Bruil opdracht gegeven dat ze kan beginnen. Hier heb ik het voorlopig koopcontract. Teken het maar, ik ga met jouw prijs akkoord` en meteen verdween hij. Staf en ik keken elkaar verbaasd aan en Staf zei: `Ik neem mijn petje voor hem af, wat een doordouwer hè?!` Dat was burgemeester Boot ten voeten uit!

Citaat uit zijn afscheidsinterview in Wij in Hilversum in januari 1968:
“Midden onder de mensen heb ik geleefd: weten wat de mensen denken, hun beweegredenen doorgronden, dat is mijn lust en mijn leven… Ik mag met voldoening zeggen dat in de Hilversumse raad op hoog niveau wordt gedebatteerd. We hebben hier een gemeenteraad met stijl”. En verder: “Ons college streeft naar eenheid… men moet een gemeente realistisch besturen. In dit college weet men genuanceerd te denken. Het streven is de antithese die er dikwijls is, om te buigen naar een door allen verantwoorde synthese”.

Tijdens de Duitse bezetting maakten de Nederlandse burgemeesters telkens weer de afweging tussen ‘weggaan’ – en de functie aan een NSB’er afstaan – of blijven zitten – om erger te voorkomen. Hoezeer dit dilemma het denken van de burgemeesters heeft bepaald, blijkt uit het boeiende dagboek dat de burgemeester van het Achterhoekse Wisch, J.J.G. Boot (1902-2002) tijdens de oorlogsjaren bijhield. Boot verwerkte zijn dagboekaantekeningen in het boek ‘Burgemeester in bezettingstijd’ dat hij in 1967 publiceerde. Hij beschrijft in zijn boek uitvoerig hoe hij als eenvoudig plattelandsburgemeester de oorlog beleefde en waarom hij tot september 1944 wachtte met aftreden.

Een aantal dagboekpassages uit het boek van burgemeester Boot: 
9 en 10 mei 1940 verkeerden we in grote spanning. Anton Berkhout die in Hummelo als legerarts bij de daar gelegen staf is gedetacheerd, vertelde me dat het nu bittere ernst is. 1.40 uur signaleerde de politie een aantal lichtpijlen vanaf de Duitse grens. Ik zat in mijn studeerkamer al maar in afwachting. Tegen 4 uur stond ik op het punt even te gaan rusten, toen ik het ronkend geluid hoorde van uit het oosten komende vliegtuigen. Naar buiten gaande zag ik de formaties overtrekken. Ik begreep dat we nu inderdaad in oorlog waren met Duitsland. Mijn optimisme was de bodem ingeslagen. Mevrouw Beaumont van Gendringen (grensgemeente) vertelde me telefonisch, dat de Duitsers op het raadhuis gearriveerd waren. Ik hoorde de explosies van de opgeblazen bruggen en reed naar het 7 km van mijn huis gelegen raadhuis, in de verwachting ook daar de Duitsers te vinden, maar er was niets aan de hand. De troepen trokken via Terborg binnen. Mijn vrouw belde me op, dat de gemotoriseerde troepen ons huis passeerden en dat er veel parachutisten in het westen van het land werden neergelaten. De dag was zo stralend mooi. Niemand deed iets. Vanzelfsprekend! Wat zou men op zo’n uur kunnen doen?! De mensen brachten hun stoelen voor hun huis. Lieten zich zonnen, terwijl de ene divisie na de andere aan hen voorbij trok.
Die 10de mei liepen we op het raadhuis van het kastje naar de muur. In het westen leefde men in een verraad-paniek. De onzekerheid was zo groot. Elk ogenblik verwachtte ik Duitse officieren, maar niemand verscheen.
Wat waren mijn gevoelens, zo heeft men mij vaak gevraagd, toen de oorlog uitbrak. Ik had het gevoel van: “nu is het zo ver en nu moeten we maar zien.”. Ik leefde in afwachting. Ik geloof, dat ik de oorlog liet voor wat hij was, omdat ik een dergelijke situatie nooit ervaren had. Maar wél had ik enig idee van de gevolgen van de oorlog. Ik dacht aan schaarste van voedsel en materialen. Daarom organiseerde ik onmiddellijk een samenkomst met de plaatselijke bureauhouder en met de bakkerorganisaties om de voedselvoorraad te inventariseren en de distributie te regelen.

19 juni (1940) De Duitse militairen zijn uit het bestuursbeleid verdwenen na de installatie van Seyss-Inquart. Het is, na alle sombere voorspellingen over een inlijving bij Duitsland, over een Duitse dwarskijker en een NSB-adviseur naast de burgemeester, een hele opluchting te vernemen dat de gemeente vrij blijft en in de provincies een Beauftragte is aangesteld om nauw samen te werken met de Commissaris der Koningin, die voortaan Commissaris der provincie wordt genoemd. In Gelderland is het dr. Schneider. In het provinciehuis hield hij zijn installatierede. De vijandelijke inval, zei hij, was nodig om Nederland in bescherming te nemen. Men moet Duitsland als vriend beschouwen. Maakt geen onaangename indruk. Toen de Commissaris wachtte wat hij zou doen met betrekking tot de voorzitterszetel, toonde hij begrip voor de pijnlijke situatie door de voorzitterszetel aan de Commissaris te laten.

Eind juni (1940) Mijn burgemeesterschap geeft me na de spannende episode van de 22e juni geen bijzondere moeilijkheden. We konden ons bezinnen op de inhoud van de sedert 3 juni verschijnende “Verordnungsblätter für die besetzten niederländischen Gebiete”. We hebben geen Joden in de luchtbeschermingsdienst zodat we geen problemen hebben met betrekking tot hun ontslag bij de luchtbeschermingsdienst. We hebben genoten van de anjerdemonstratie op 29 juni naar aanleiding van de verjaardag van de Prins, maar gelijktijdig is er ook het gevoel van: “pas toch op!”. We mogen niet langer naar de B.B.C. luisteren.

November 1940 De Jodenkwestie – ook al heb ik er weinig mee van doen – geeft veel stof tot nadenken, overleg en koersbepaling. Ook onze houding als burgemeester aan te nemen t.o. de bezettingsautoriteiten, is een chronisch discussiepunt op onze kringvergadering.

April 1941 De burgemeesterssamenkomsten vinden steeds in een prettige sfeer plaats. Geen N.S.B.-ers noch Duitsgezinden. Een steeds weerkerend discussiepunt: zal de N.S.B. de leiding al of niet in handen krijgen. Mussert is nog steeds niet aangewezen. De overgang van ambtenaren en beambten naar de N.S.B. is van geen betekenis. Er is een opleidingsinstituut voor aspirant – N.S.B. burgemeesters in het leven geroepen. Het pleit voor het huidige burgemeesterskorps. Slechts enkelen zijn overgelopen. Het is om te lachen als men het programma leest. Drie maanden schriftelijke opleiding. Een week mondeling plus een reisje naar Duitsland. Daarna volontairen op een secretarie waar N.S.B. gezinde burgemeesters zitten.

Augustus 1941 Met ontroering en verontwaardiging vernam ik de tijding van het buiten werking stellen der gemeenteraden. Door deze maatregel is het meespreken van de bevolking uitgesloten. Dit is in flagrante strijd met het bezettingsrecht en met de uitspraak van Seyss Inquart. Ons volk zal dit onrecht niet verdragen.
Ik besprak deze onrechtmatige daad met vriend Berkhout. Ik was er zo vol van, dat ik besloot, een protest klandestien te verspreiden. Anton Berkhout en ik werkten nauw samen. Het is een kleine brochure geworden. Het drukken gaf geen moeilijkheden, want drukker Rutgers wilde het drukken. Ik heb van enkele personen geld gekregen voor druk- en verzendkosten.

De druk op Commissarissen der Koningin en burgemeesters wordt steeds intensiever. Telkens komt de vraag in de burgemeesterskring op: “kunnen we nog langer aanblijven?”. Mijns inziens zo lang mogelijk. Ik geloof dat we tegenover de bezetters net zo veel mogen liegen en bedriegen als het Nederlandse belang er mee gediend is en burgers daardoor veilig gesteld kunnen worden.

April 1942 Ik werd bij de S.D. geroepen omdat 50 m telefoondraad verdwenen is bij de in Terborg-Westerdorp geplaatste zoeklichten. Ik had er ook geen verklaring voor. Ze konden mij er moeilijk voor verantwoordelijk stellen. Ik opperde, dat de Duitse militairen het misschien zelf wel gedaan hadden, om een extra zakcentje te hebben, maar dat argument vond geen gunstig onthaal. Een gelukkiger greep was mijn veronderstelling, dat een hooiwagen de schuldige was. Men had mij verteld dat de draden te laag over de weg hingen. Met de laatste verklaring namen de heren genoegen, want daarmee waren zij tegenover hun superieuren weer gedekt. Na een half uur kon ik gaan.

De Jodenvervolging krijgt een steeds drastischer karakter. Ik ben geschrokken toen ik op 4 mei voor het eerst Joden met een ster op de borst zag lopen. Ik kreeg een gevoel van diepe vernedering. Maar ook de overtuiging, dat ze door onderduiken zo veel mogelijk geholpen moeten worden.

November 1942 Omdat de Grüne Polizei met succes dorpen heeft omsingeld en uitgekamd en ik in Arnhem vernam dat Varsseveld een broeinest is van onderduikers, Joden en anderen, heb ik in overleg met de goede politie een controle georganiseerd, nadat we degenen, waar een onderzoek zou worden ingesteld, hadden gewaarschuwd.
Meerdere Joden heb ik laten waarschuwen wegens hun brutaliteit. Sommigen gaan naar de markt in Doetinchem of gaan een voetbalwedstrijd in Lichtenvoorde bijwonen.

21 November 1942 had ik een bespreking met secretaris-generaal Frederiks over het al of niet meewerken als burgemeester aan de arrestatie en deportatie van Joden. Vanzelfsprekend was het ontoelaatbaar dit te doen. Frederiks vertelde, kort voor Karnebeeks dood een gesprek met hem te hebben gehad. Karnebeek had toen gezegd: “Je moet over het Jodenvraagstuk niet struikelen.”. Hij betreurde het, dat enkele collega’s telefonisch ontslag hadden gevraagd naar aanleiding van deze kwestie en van het arresteren van gijzelaars, omdat hij met Schmidt daarover in onderhandeling was.

1 Maart 1943 beëdigde de Commissaris der Koningin mij in verband met mijn herbenoeming. Ik had gedacht dat er geen aandacht aan geschonken zou worden, doch de “materiële” belangstelling van de zijde der boeren en burgers was zo groot, dat onze kelder wel een slagerij en een boter- en eierzaak leek, terwijl de sigaren en de dranken ook goed vertegenwoordigd waren. We konden onze familie en vrienden weer voorthelpen.

Juni 1943 De jaarklassen 1922-1924 moesten, volgens een circulaire van juni 1943, zonder uitzondering naar Duitsland. Later volgden de jaarklassen 1924-1927. Alleen voor de jaarklassen 1917-1921 bestonden vrijstellingsmogelijkheden voor sleutelposities.
Zelden heb ik groter voldoening gehad over mijn aanblijven als burgemeester dan op dit tijdstip, nu de Duitsers op meedogenloze wijze ons volk gaan inschakelen om de reeds verloren oorlog voort te kunnen zetten.
Zoals we met distributiekaarten en persoonsbewijzen de mensen hebben kunnen helpen, zo wordt het nu een sport, om de burgers uit Duitsland te houden. Ik denk o.a. aan de verjongingskuur van de brandweer en de bosbrandweer. Eerst nu leer ik de waarde en de werking kennen van de langzaam-aan-werkende ambtenarenmolens. Het is in één woord een genot, om de ene Duitse instantie tegen de andere uit te spelen.

Bronnen:
– ANP historisch archief
– beeldbank nationaal beeldarchief
– Nederlands instituut voor oorlogsdocumentatie

– J.J.G. Boot, Burgemeester in bezettingtijd, Apeldoorn, 1967

klik hier voor de persoonskaart van deze persoon