Standaard tekst voor de HEADER BUBBLE!

STANDAARD BUTTON TEKST

Kees Boot

Kees Boot, acteur

Van deze persoon zijn helaas vooralsnog te weinig genealogische gegevens bekend bij ons mocht u die ons kunnen verschaffen, laat het ons dan a.u.b. weten

In het kort
Acteur Kees Boot studeerde in 1995 af aan de Toneelschool Amsterdam. Speelde met zijn eigen gezelschap Tevengebroed de voorstellingen Bierkaai, Kaalslag en OUT. Speelde onder andere in King Lear, Het Belang Van Ernst, Maat Voor Maat, Arturo Ui, Hooligens en Hurly Burly. In 2006 was Kees te zien als Martini in het toneelstuk One Flew Over The Cuckoo’s Nest en vervolgens in het toneelstuk Alexander. Op televisie speelde hij in televisieseries als All Stars, Baantjer, Spangen, Wildschut En De Vries, In Voor En Tegenspoed, Combat, Kind Aan Huis en Het Braambos en in de telefilms Maten en Benidorm. Deze films staan o.a. op zijn palmares: De Zwarte Meteoor, Lek, Mariken en Floris. Kees ontving in 2003 de Arlecchino voor zijn rol van Wayne Hudson in Popcorn.

Kees zelf
Acteur Kees Boot (32) had er al zeker tien jaar acteren op zitten toen hij bij het grote publiek doorbrak. Niet door op het toneel een gelauwerde Shakespeare-vertolking neer te zetten of door een Gouden Kalf-waardige filmrol af te leveren, maar door als een overhaaste manager een kist op zijn hoofd te krijgen in een nog geen minuut durende commercial – u weet wel, die hilarische Cup-a-soup-reclame waarin hij door tijdig een kop soep te drinken goed geconcentreerd blijft. “Als je kiest voor een rol in een reclamespot, moet je daar rekening mee houden”, erkent Boot. “Maar dit was echt belachelijk: 16 miljoen mensen die me opeens collectief herkenden als John de manager. Het is inmiddels minder, maar er is een lange periode geweest dat ik er moeite mee had als mensen me op straat nariepen. Het was een absurde hype: in alle theaters waar ik kwam, stonden opeens van die soepautomaten. Ik geloof dat de omzet van Unilever binnen een maand met 150 procent steeg! Als je in een commercial speelt, ben je aangeschoten wild: mensen durven veel meer tegen je te zeggen dan wanneer je bijvoorbeeld een goede filmrol speelt. Op het moment dat mensen mij complimenteren met mijn rol in All stars vind ik dat toch een stuk aangenamer dan wanneer ze me in de Kalverstraat ‘hey, soepie!’ naroepen.”

Ziekmakende spanning
Ondanks de stapels internationale prijzen die de twee filmpjes waarin Boot speelde ten deel vielen, en het feit dat hij aan de rol “meer dan een normaal jaarsalaris” heeft overgehouden, zwichtte hij niet voor het aanbod een hele serie ‘manager John’-commercials te gaan maken. “Ik wil niet de rest van mijn leven ‘die man van die kop soep’ blijven. En zeker niet op dit punt in mijn nog zo prille carrière. Peer Mascini met z’n Melkunie-koeien is een heel ander verhaal: die man heeft zichzelf al veertig jaar lang bewezen, die komt daar makkelijker mee weg. Maar bij mijn castings reageerden mensen steeds vaker: ‘daar komt de Cup-a-soupman weer! Zullen we dat nou wel doen? Nee, laat maar, die is te bekend.’ Terwijl ik niet het gevoel had dat ik al het recht had om bekend te zijn. Ik had mijzelf als acteur nog niet enorm kunnen profileren: zo’n commercial is toch geen Shakespeare. Ik vraag me ook oprecht af of John de manager langer dan twee filmpjes leuk was gebleven.” Het had maar een haartje gescheeld of Boot was überhaupt geen acteur geworden. Aan de ambitie van de jongen lag het niet: al vanaf de lagere school in Dronten droomde de kleine Kees ervan op het podium te staan. “Die ziekmakende spanning voordat je opgaat. En dat dat gevoel langzaam verdwijnt als je op het toneel staat en merkt dat het publiek gelooft wat je daar vertelt – dat is iets magisch, iets ongelooflijks. Een goede acteur beheerst de kunst van het overtuigen.” Ondanks zijn enthousiasme werd hij na een jaar van de toneelacademie in Maastricht afgestuurd. “Ze gaven geen reden: ze vonden dat de opleiding bij nader inzien ‘toch niets voor mij was’. Ik ben er dagenlang ziek van geweest: mijn droom was in één keer van tafel geveegd. Bovendien kón ik verder helemaal niets. Ja, lach maar: ik kan écht niets verder! Ik had m’n havo-examen volledig verprutst toen ik wist dat ik naar Maastricht kon, want wat had je nou op de toneelschool aan wiskunde of scheikunde?”

Typetje
Uit arren moede meldde Boot zich aan bij het leger: twee dagen later zat hij in dienst. “Ik haatte het, maar je hoefde er verder niets voor te kunnen.” Toch gaf hij zijn droom nog één kans, door in een laatste wanhoopspoging toelatingsexamen te doen aan de Toneelschool Amsterdam. “Als ik toen was afgewezen, was het over en uit geweest. Het is echt een godswonder dat ze me daar hebben aangenomen: tijdens de slotauditie viel ik letterlijk flauw van de zenuwen. Ik had op dat moment in het leger nachtdienst: tussen twee shifts door ben ik naar Amsterdam gegaan. Én niet geslapen, én op van de zenuwen – en dan voor Ton Lutz, alle docenten en het hele vierde jaar Oidipoes gaan declameren. Ik schijn mijn monoloog afgemaakt te hebben, maar ik kan me er niets van herinneren: ik werd pas weer wakker toen ik uitgeteld op de grond lag.” Behalve als John de manager kent het grote publiek Boot vooral als Johnny Meeuwissen uit de serie ‘All stars’, een rol die hij na één film en één seizoen overnam van zijn goede vriend Daniël Boissevain. “Ik heb daar ontzettend lang over getwijfeld. De eerste dagen was ik ook als de dood: daar stond ik dan, in Daniëls kleren, in Daniëls auto. Ik voelde me echt een oplichter als ik mijn Amsterdamse accentje opzette. Daniël hééft een Amsterdams accent, ik spéélde het. Daniël ís stoer, ik spéél stoer. Daniël is ooit uitgeroepen tot sekssymbool van Nederland: hoe graag ik het ook zou willen, maar daar kan ik met geen mogelijkheid aan tippen.” Toch lukte het de acteur in de loop van de tijd een nieuw personage van Johnny te maken. “Ik heb heel snel het idee van me afgeworpen dat ik moest gaan imiteren: ik moest er een geheel nieuw karakter van maken. Daniël is Johnny Meeuwissen zoals hij in de annalen komt te staan: die rol is hem letterlijk op het lijf geschreven. Al ben je nog zo goed, de persoon die een bepaald typetje heeft gecreëerd kan je nooit echt vervangen. Hoe goed Coen van Vrijberghe ook was, de echte Johnny uit Flodder blijft altijd Huub Stapel.”

Agressief
De heetgebakerde voetballer met een gouden hartje past uitstekend in het oeuvre van agressieve karakters waarvoor Boot vaak wordt gevraagd. “Ik blijf de humor er wel van inzien: vaak zijn dat soort personages ook het interessantst om te spelen. Het is een uitdaging een andere kant van zo’n karakter te belichten zonder dat het ongeloofwaardig wordt. Er wordt ook nooit alleen maar een klootzak gezocht: er is altijd wel iets met die klootzak aan de hand. Waarom is die man zo geworden zoals-ie is?” Een bizar hoogtepunt in zijn carrière was het stuk ‘Hooligans’, dat de landelijke pers haalde nadat de hoofdrolspeler was bedreigd door F-siders. “Een paar dagen voor de première stapte Rogier Philipoom uit het stuk: in één week tijd moest ik zijn rol overnemen. Het is heel raar om op een toneel te staan met een zaal vol mensen die in beginsel niet geïnteresseerd zijn in wat jij gaat doen. Die gewoon zeggen: ‘Hé, jullie hebben het over ons? Hier zijn we dan, kijk maar eens goed!’ En die dan vervolgens alleen maar gaan schreeuwen, bellen, zuipen en roken in het theater. Je moet dan dus heel hard werken om hun aandacht te krijgen.” Dit lukte wel altijd trouwens. “Op alles wat je zegt, wordt gereageerd. Op het moment dat wij bijvoorbeeld ‘kutkankerboeren’ zongen, gingen ze allemaal staan en meezingen. Als wij in Rotterdam zongen ‘Hamas, hamas, joden aan ’t gas’, gingen ze volledig uit hun dak. We wilden met het stuk de absurditeit laten zien van hoe die wereld in elkaar steekt, dat het méér is dan een paar kwajongens die tot de orde geroepen moeten worden. Het is een ‘way of life’. Dat is echt niet aan te pakken door te zeggen ‘jullie mogen niet meer naar het stadion toe’. Helaas kwam er door alle commotie te weinig regulier theaterpubliek naar de voorstelling om die boodschap op te pikken.”

Schilderij
Overigens denkt Boot niet dat theater of film grote maatschappelijke problemen de wereld uit kunnen helpen. “Ik heb persoonlijk een bloedhekel aan theater met een vingertje. Ik wil nooit zeggen tegen mensen ‘luister, vrienden, zo moet het gaan, want anders!’ Je wilt mensen aan het denken zetten, maar hóe die mensen dat doen, is niet aan de makers om te bepalen. Op het moment dat die jongens helemaal gelukkig zijn omdat ze zichzelf herkennen, heb ik niet de arrogantie om te roepen: ‘denk nou eens vérdér!’ Het is net als met een schilderij: je kunt er in zien wat je er in wilt zien. Je maakt een ruwe schets, maar je moet niet alles gaan zitten inkleuren voor de kijker.” Als voorbeeld van een film die dat voortreffelijk doet, noemt hij American history X. “Als ik zo’n rol aangeboden kreeg, zou ik geen seconde na hoeven denken. Al zou ik een half jaar moeten aftrainen op de sportschool? Meteen! Edward Norton is ook één van mijn grootste voorbeelden trouwens: fe-no-me-naal! In interviews komt hij op mij over als een hele aimabele jongen, maar in die film is het gewoon een foute lul. Die beginscène zet zo’n onweerlegbare toon: het duurt eeuwen voordat ik ook maar eventjes het gevoel krijg dat er ook maar een greintje sympathie in dat lichaam zit. En zelfs áls je dat denkt, aan het eind van de film, voel je je er nog schuldig over, omdat het zo’n foute lul is. Als je zo’n overtuigingskracht kan bewerkstelligen, ben je echt een hele grote in dit vak.”

bron en toestemming:
– Robbert Blokland, manager
– foto: Angelique van Woerkom

– Filmkrant, de uitgever
– www.musicals.nl