Standaard tekst voor de HEADER BUBBLE!

Johanna Boot
† 29-01-1914 – 23-06-2004 Zevenbergen

Johanna Boot

Ans Luijten, 28-06-2004, 

Het was afgelopen woensdag, de dag dat ons mam overleed, een stormachtige dag. Tekenend voor het karakter, leven en sterven van ons mam. Ze had een druk, levendig leven. Geboren in de 1e wereldoorlog, getrouwd en haar eerste kind gebaard in de 2e wereldoorlog. Dertig jaar was ze. In datzelfde jaar verloor ze haar vader. Hoe vaak vertelde ze van die oorlogstijd. Hoe ze waren ondergedoken in de kelder van de Fam. van Gils op Calishoek. Hoe de bommen overvlogen richting Moerdijk. Dat ze dan baden: Onze Lieve Vrouwke, geef ‘m nog ’n douwke. Dat haar eerstgeborene bij het ontploffen van de bommen omhoog werd gewipt in haar bedje. Dat ze vluchtten naar Breda, naar haar zuster, tante Mien. Maar ook dat ze in die oorlog haar allerliefste broer verloor, onze Willem. ‘Dat was nou nog eens ’n fijne vent. Overal was hij in, iedereen kende hij, altijd vrolijk. Onze Willem en ik waren twee handen op een buik. We gingen dan ’n Havenkantje pikken en we liepen gearmd, onze Willem en ik. Maar als we dan zo’n beetje op de Markt kwamen duwde hij zachtjes mijn arm weg. Hij wilde natuurlijk niet dat de meisjes dachten dat ik zijn vriendin was.’ Hoe hij moest vertrekken in 1940 nadat zijn eerste zoon was geboren en dat hij op het station zo huilde en riep dat hij niet meer terug zou komen. En iedere keer weer, als ze dat vertelde, huilde ze. Iedere keer weer.


Stormachtig
 was de tijd dat ze samen met ons pa de winkel had. Altijd bezig, van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat. Nog ’n dochter en twee zonen baarde ze. ‘Hoe ik dat toch voor elkaar gekregen heb, die winkel en vier kinderen’, zei ze vaak. ‘Maar ik heb het graag gedaan hoor. Het was hard werken maar ook een mooie tijd.’ Wat ik me kan herinneren is:

Dat ons mam met ons Iet voorop en ik achterop de fiets naar Zevenbergen gingen, naar opoe. 
Dat ze in de schaarse vrije tijd jurkjes voor ons naaide. 
Dat we elke avond ’n lepel levertraan kregen. 
Dat we allevier ’n scapuliertje droegen. 
Dat we zaterdags in de teil gingen. 
Dat het fijnste uur van de dag het avondeten was. 
Dat ik dan op haar schoot zat en tegen haar borst naar het brommen van haar stem luisterde. Dat er veel gelachen werd. 
Dat er op zaterdagavond gekaart werd met opa en oma Luijten. 
Dat we op zondag naar de kerk gingen, naar de mis van half negen want die duurde niet zo lang. De winkel was toen nog tot 12 uur ’s middags open.
Dat we dan draadjesvlees aten en langevingerpudding. 
Dat we, toen we ouder werden, gedrieën de afwas deden en soms stikkend van de leut niet meer verder konden, wat ook in de winkel vaak gebeurde. Dat we gezongen hebben, God, wat hebben we gezongen. 

Stormachtig was ook haar karakter. Vaak onverzettelijk, hoofd in de wind, tegen beter weten in. Maar ook altijd oplossingen zoekend, wat onvermijdelijk was stopte ze weg, daar werd niet meer over gepraat.

Trots was ons mam. Haar kleren in de puntjes, d’r haar goed gekapt. ’n Mooie vrouw. Haar woorden: Mijn moeder zei altijd als je haar en je tanden verzorgd zijn, zie je er altijd goed uit.’ En wij hebben het allemaal weer op onze kinderen overgebracht. We werden erop uit gestuurd. Naar Jantje Schoones om kousen: Setter Sets en geen anderen. Naar Juffrouw Molenschot om Crème Puff. 

Bezorgd was ons mam. Haar kinderen werden groot, gingen trouwen en kregen kinderen. Het ging niet altijd zonder slag of stoot maar ze bleef optimistisch, berustte en steunde ons waar ze kon. Elke avond werd er even gebeld. Of alles goed was, of iedereen al thuis was, hoe het ging met de kleinkinderen. Gingen we op vakantie werd de auto volgestopt met limonade, snoepjes en alles wat we onderweg konden gebruiken. ‘Kijk goed uit hoor.’ En ze zwaaide tot ze je niet meer zag. Waren we dan op de plaats van bestemming werd er eerst naar ons mam gebeld, dan was ze weer gerust. En blij als we weer thuis waren: ‘Gelukkig, ze zijn weer heelhuids thuis.’ 

Sterk was ons mam. De winkel werd door haar en niemand anders schoongemaakt, hoe laat het ook werd. Dat gaf ze niet uit handen. Was ze dan uiteindelijk klaar, werd er koffie gezet, ’n appeltje geschild en nootjes gepeld. De Libelle werd gelezen en de krant. Later, toen de televisie zijn intrede deed, was het feest als het ‘Dorus’ avond was, of Wim Sonneveld. Ook toen de winkel er niet meer was, en ze dat verlies moest dragen was ze sterk. Niet achterom kijken, doorgaan en de nieuwe mogelijkheden benutten. Ze ging zingen bij Con Amore, samen met ons pap en ze sloegen zich er doorheen. Ze ging fietsen en toneelspelen. Sterk was ze toen ze haar heup brak en later haar pols. En weer ging ze door. Het werd haar motto: ‘we douwen gewoon door’. 

Moedig was ons mam. Samen met ons heeft ze ons pa verzorgd toen hij ziek werd. Samen met ons heeft ze hem begraven. Samen met ons heeft ze haar oudste zoon begraven. Het was een klap die ze niet meer te boven is gekomen. Ze heeft er niet meer over gesproken. Ze ging door en wederom werd er niet achterom gekeken. Maar haar levensvreugde was ze kwijt. Ze ging slechter eten, bleef vaker binnen zitten. 

Tot ze viel. Weer brak ze een heup, nu de andere. De heup werd gerepareerd maar lopen kon ze vergeten. En waar ze altijd zo tegenop had gezien gebeurde. Ze kwam in een rolstoel terecht. Het duurde even voor ze accepteerde dat ze afhankelijk geworden was. Het is haar grootste angst geweest haar onafhankelijkheid te verliezen. Ook toen kwam ze zelf met de oplossing dat ze naar ‘het Sancta’ moest. We hebben dit nog ’n half jaar kunnen uitstellen omdat ze dag en nacht verpleging kreeg. Van inwonen bij een van ons wilde ze niets weten: ‘ik ga niet bij m’n kinderen in, die hebben allemaal d’r eigen huishouden’. Om te wennen aan het Sancta ging ze met veel tegensputteren ’n paar keer per week naar de dagbehandeling. Tot het onvermijdelijke kwam. Ze werd vergeetachtig, raakte gedesoriënteerd en werd opgenomen in ‘De Branding’. Maar eigenlijk hoorde ze daar nog niet thuis. Het verblijf daar werd een last, hoe vaak we ook naar haar toegingen en hoe goed de verpleging ook haar best deed. Ze gaf het op. Ze stopte met eten en drinken en ze werd ziek. We hebben haar mogen begeleiden tot de dood en zijn daar dankbaar voor. Moeders gaan, maar sterven niet, ze geven naar ze leven. Zolang je moeders kinderen ziet, zolang zal moeder leven. Ze zal altijd bij ons zijn.

Tot slot willen wij de verpleging, verzorgenden en artsen van afdeling ‘De Branding’ en Sancta Maria die ons mam het afgelopen jaar zo liefdevol hebben verzorgd bedanken als ook Pastor Evelien van Ommering, de vrijwilligers bij de avondwake, Con Amore, het Bartholomeuskoor, maar ook meneer de Meijer, Monique de Zwart en Kees van uitvaartverzorging Monuta voor de zorgzame wijze waarop ze ons hebben begeleid en allen hier aanwezig.

Het is goed zo.
Tot ziens mam.