Standaard tekst voor de HEADER BUBBLE!

STANDAARD BUTTON TEKST

Cornelis Boot, Zeeman met een rijk verleden.

klik hier voor de persoonskaart van Cornelis Boot
Hier kunt u het verslag lezen dat is opgesteld door de heer Hadde Verhoef naar aanleiding van een aantal gesprekken die hij had met Cornelis Boot. Dit stuk is opgesteld augustus 1997 en gepubliceerd door de Vereniging ‘Maarten Tromp’. Dat is de vereniging van oud-leerlingen en -leraren van de voormalige School voor Scheepswerktuigkundigen (MSVS) te Brielle. Uiteraard gaat alle dank uit naar de verslaggever maar vanaf deze plaats willen we ook zijn naaste familie danken voor het schenken van deze informatie.   Hadde Verhoeff in gesprek met C. Boot (augustus 1997) Woensdag 13 augustus toog ik naar Hellevoetsluis om daar een gesprek te hebben met oud-leerling dhr. C. Boot. Een veel bewogen leven Na een gesprek van bijna 3 uur kwam ik er achter dat ik nog minstens 2 keer terug moest komen, omdat de heer Boot wel heel erg veel in zijn leven heeft meegemaakt. De heer Boot werd geboren op 1 april 1919 te Nieuw Helvoet. Geen grap, maar zijn vader zat er wel mee. Op de marinewerf, waar hij werkte, werd hij niet geloofd. Na de lagere school ging de heer Boot naar de ambachtsschool in Den Briel en hij hoopte na een goede praktijkopleiding een baan op de tekenkamer van de marinewerf te krijgen. Tekenen was de lust in zijn leven. Het zou echter anders lopen. Door zijn geboortedatum zat hij een beetje in de knoei met school gaan. Immers het waren allemaal april-scholen in die tijd en hij kon net in het schooljaar mee. Daardoor was hij nog maar 14 toen hij de 3 klassen doorlopen had en moest hij nog een jaar blijven. Hij kreeg in dat 4e jaar bijzondere dingen te doen, bijvoorbeeld blauwdrukken maken en draadstangen draaien voor sluisjes in de polder. Den Helder of Hellevoet Er was tijdens zijn ambachtsschooltijd in Hellevoetsluis wat veranderd. In 1933 was de marinewerf naar Den Helder verhuisd. Ze achterna reizen om zodoende het beoogde beroep van tekenaar te gaan uitoefenen kon niet, want zijn vader was op wachtgeld gesteld en dus in Hellevoet blijven wonen. Daarom maar gekozen voor de machinistenschool en ook daar moest hij vanwege zijn leeftijd een jaartje langer blijven. Eerst was de heer Klapwijk zijn praktijkleraar en later de heer Belgraver. Hij denkt nog met veel plezier terug aan die tijd. Hij deed in 1937 examen in Den Haag en slaagde vlot. Alleen het was aan het einde van de crisisjaren en de baantjes lagen niet voor het opscheppen. Solliciteren in Amsterdam Een examinator adviseerde om bij de Maatschappij Nederland te solliciteren. Die raad volgde hij op. De volgende dag schreef hij een brief en met kerende post werd hij uitgenodigd voor een gesprek. De heer Boot vertelt alles nog alsof het gisteren is gebeurd. Hij herinnert zich nog alles heel scherp. Nu gaf de uitnodiging wat problemen, want hij moest vroeg in de morgen opdraven. Hij ging dus de dag van tevoren al naar Amsterdam. Van Jo Buurmeester, een oud klasgenoot, kreeg hij een adres in de Haarlemmerstraat waar deze wel eens in de kost had gelegen. Daar aangekomen meldde hij onder aan de trap wie hij was en wat hij wilde. Hij werd boven geroepen en kon gelijk aanschuiven, want men zat net aan tafel. Vijf dagen na het gesprek kreeg hij een brief dat hij aangenomen was. Varen was er echter nog niet bij. Eerst moest hij net zoals iedere leerling wtk. bij de Mij. “Nederland”, de werkplaatsen doorlopen. Eerst de bankwerkerij, dan de plaatwerkerij en vervolgens de elektrischeen montagewerkplaats. Je deed hier een enorme ervaring op en na deze nuttige tijd ging je werken op schepen die binnen lagen, totdat je aan de beurt was om te varen.
onderscheidingen Cornelis BootTer illustratie staan hierboven de twee koninklijke onderscheidingen afgebeeld welke Cornelis Boot mocht ontvangen voor zijn bewezen diensten.
Poelau Laut Het eerste schip van de heer Boot werd de Poelau Laut. Hij maakte er 3 reizen op naar lndië. Tijdens de 3e reis moest hij overstappen op de Talisse, één van de beroemde T-boten van de Mij. “Nederland”, die door hun prachtige lijnen de bijnaam gekregen hadden van de Rolls Royce of the ocean. Mijn vader vertelde mij dat als ze vroeger een T-boot tegen kwamen iedereen aan dek stond om er naar te kijken. Terug naar de heer Boot. Hij kwam nu in de Java Pacific lijn en na 1 reis moest hij overstappen op de Johan van Oldenbarneveld. Deze moest echter eerst de Indische kust nog op en nog dokken in Surabaja. Na een goed jaar was Boot weer terug in Nederland. Na het genoten verlof werd hij op de Christiaan Huygens geplaatst als 4e wtk. en vertrok daarmee in oktober 1939 naar Indië.
schip 1‘Poelau Laut’ Mij ‘Nederland’ 
2e wereldoorlog Op de terugreis ging het niet naar Amsterdam vanwege de moeilijkheden in het kanaal en de downs. In Genua werden alle passagiers gedebarkeerd en de lading gelost en vervolgens werd weer koers gezet naar Indië. Ter hoogte van Colombo kwam er een verward telegram aan boord. Nederland was binnen gevallen door de vijand. Maar door wie? Door de Engelsen of de Duitsers? Nederland wilde immers neutraal blijven. Er zou een nader telegram komen, tot die tijd werd de koers 90° gewijzigd. Men ging pal zuid varen. Als er oorlog met Engeland was, dan moesten ze zo snel mogelijk bij Colombo vandaan zien te komen. Het volgende telegram was duidelijk. Het bleek dat Nederland in oorlog was met Duitsland. Men keerde op zijn schreden terug en deed Colombo aan. Hier werden de NSB-ers van boord gehaald en de reis naar Tandjong Priok werd vervolgd. Na nog een reis in de Indische wateren gemaakt te hebben, werd hij overgeplaatst op de Wangi Wangi. Dit was een Duits prijsschip. Men had in Nederlands Indië namelijk het telegram aan alle Duitse schepen, dat ze weg moesten wezen, weten te onderscheppen zodoende werden er nogal wat schepen prijs gemaakt. Eén was het s.s. Franken van de Nord Deutsche Lloyd en deze werd omgedoopt tot s.s. Wangi Wangi. Boot werd hier dus opgeplaatst en dat was een hele verandering. Ten eerste moest hij van de vreselijk gezellige Christiaan Huygens af en hij kwam nu op een stoomschip, terwijl hij tot dan alleen maar op motorschepen had gevaren. Er stond een enorme machineinstallatie in het schip. De hoofdmachine was een triple-expansie machine met 2 lage druk cilinders en daar achter nog een BauerWach turbine. De stoom werd geleverd door 5 kolen gestookte schotse ketels. Hierdoor zat er een enorme equipage aan boord. Niet minder dan 93 man waarvan het merendeel (69) Lascaren. Bewapend met geschut Men ging, vol geladen met suiker, op weg naar Engeland, maar deed eerst Singapore aan. Hier werd op de campagne een fundatie voor een stuk geschut aangebracht en de bemanning werd aan de wal geoefend in de bediening van het geschut. Boot herinnert zich dit als een leuke ervaring. Toen men uit Singapore vertrok, was men goed geoefend, had een mooie geschutsfundatie, maar geen geschut, want dat was niet voorradig. In Kaapstad aangekomen wordt het geschut op ’t achterschip geplaatst. Men ging er mee oefenen nabij Robbeneiland onder instructie van een Engelse marinier. Na één schot was de afgrendelbeweging van het kanon zodanig ontzet, dat de oefening gestaakt moest worden voor de nodige reparaties in Kaapstad. Met wat voor wapentuig werd de koopvaardij uitgerust? In ieder geval is men veilig in Liverpool aangekomen en kreeg daar een lading oorlogsmateriaal voor Australië. Tijdens de ligtijd in Liverpool heeft men de zware bombardementen op de haveninstallaties meegemaakt, maar bleef ongedeerd. In konvooi ging het richting Kaapstad. Men verdaagde echter in zeer slecht weer. Enkele schepen van het konvooi vergingen en ook de Wangi Wangi had problemen. De vliegtuigen aan dek hadden zware schade opgelopen. Bij sommige waren de winches naar binnen gedrukt. Er werd koers terug naar Engeland gezet en in het schotse Greenoch werd alles weer op orde gebracht. De lading werd uiteindelijk in Australië afgeleverd enmen vertrok met een lading staafijzer weer naar Engeland. Engeland werd echter nooit bereikt. De duitsers hadden een onderzeebootbasis in Dakar en lagen met een vloot onderzeeërs in een halve cirkel rond Dakar.
schip 2s.s.”Wangi Wangi” ex “Franken” van de Nord Deutsche Lloyd
Getorpedeerd Vrijwel alle schepen die in die halve cirkel kwamen waren ten dode opgeschreven. Zo ook de Wangi Wangi. Op 25 mei ’s avonds om 19.25 uur krijgt zij een voltreffer van een torpedo. Het is een donkere maanloze avond en 93 man moeten zich met twee sloepen zien te redden, daar de 2 sloepen aan BB zijde door de explosie vernield waren. Een Lascaar lukte dat niet, hij stortte in een ruim. Men had goed geoefend, want in een kwartier had zich de hele reddingsoperatie voltrokken. Wel kostte het enige moeite om de Lascaren in bedwang te houden. In het gedenkboek van de Mij. “Nederland” wordt er melding van gemaakt dat 4e wtk. Boot de motor van de sloep al draaiende had, voordat deze te water kwam. Nog even hebben de sloepen zich op de vanglijn met een vaart van ± 6 mijl mee laten slepen door het schip, waarvan de machine gestopt was. Hierdoor kon men aan scheren om de laatste mensen van boord te halen, waaronder kapitein C. Schoen en de marconist. De duikboot is nog boven gekomen en heeft geïnformeerd of de schipbreukelingen behoefte hadden aan water en proviand of andere zaken. Ook werd de koers en afstand tot Monrovia opgegeven, maar alle hulp werd door de 2 sloepcommandanten van de hand gewezen. De motorsloep heeft de andere op sleeptouw genomen en er werd koers gezet naar Monrovia. De 2e nacht hoorde men de branding en wachtte de dag af. Bij daglicht is men langs de kust gevaren om een geschikte landingsplaats te vinden. Deze ontdekte men bij een kleine negernederzetting vlak bij Cape Mount. Het resterende drinkwater en de voeding werden ontscheept. Een deel van de bemanning kreeg primitief onderdak in 2 van de 5 negerhutten die voor hen werden ontruimd. De rest moest in de open lucht slapen op de sloepzeilen. Door de kapitein werd een kleine groep vrijwilligers naar Cape Mount gezonden, dat 15 km verderop lag. Volgens de inboorlingen woonde daar een Nederlandse familie. Het bleek de familie Huygens te zijn, waarvan men veel hulp en vriendschap heeft gekregen. De heer Huygens was agent van de H.W.A.L. In verband met de geleden ontberingen besluit de kapitein om enige dagen op de plaats van de landing te blijven. Veel mensen zijn uitgeput en hebben last van zonnebrand. Daarna wordt, na 5½ mijl lopen door de rimboe, Robortsport bij Cape Mount bereikt, waar de heer Boot en de rest van de bemanning op toestemming van de president van Liberia wacht om het land te mogen verlaten. Dit komt pas op 26 juni. Het leven in Robertsport viel niet mee. De 84 inwoners moeten zich overvallen hebben gevoeld. De voeding levert problemen op en de burgemeester verleent weinig of geen medewerking. Er was geen vlees en er waren geen aardappelen. Een beetje rode rijst en een aantal blikjes met cocktailworstjes was alles.
Tropische ziekten Grotere zorg dan de voeding baarde echter de hoeveelheid zieken, zo’n 30 tot 40 per dag, met malaria en chicken pocks, een soort pokken dat niet dodelijk is. Er zijn niet voldoende medicamenten voor de zieken en men besluit met een prauw voedsel en medicamenten in Monrovia te gaan halen. De 3e stuurman en 4e wtk. Boot gaan mee. Na het laden van de prauw moet de heer Boot achterblijven in het huis van de agent, omdat hij helemaal onder de puisten kwam te zitten. Het bleek gelukkig geen ernstige aandoening te zijn en hij kon zich later weer bij de bemanning aansluiten. 26 juni vertrekt men ’s morgens voor een tocht door de bush, moerassen en langs stranden naar Bo, deels lopend en deels met aftandse vrachtwagens. Men komt op 30 juni in Bo aan. Vervolgens moet men nog 325 mijl met de trein naar Freetown. De Engelsen aldaar wilden de Eraw, een Engels schip, waaraan van alles mankeerde, naar Kaapstad laten varen, maar dat weigerde men. Het was al moeilijk genoeg om met een goed schip door de duikbootcirkel heen te breken. Van de Engelsen kreeg men daarna niet veel medewerking meer. Als er weer een konvooi in Freetown aankomt, waarvan drie Nederlandse schepen deel uitmaken, probeert men het opnieuw. Het antwoord is weer afwijzend. Dan neemt de kapitein het eigen initiatief om contact te zoeken met de drie Nederlandse schepen. Men is daar onmiddellijk bereid de Europese bemanning mee te nemen, zij worden verdeeld over de Indrapoera, Volendam en Nigerstroom en het is op deze laatste waarop de heer Boot terechtkomt. Op 21 augustus vertrekt het konvooi en 3 september arriveren alle veilig in Kaapstad. De Lascaren arriveren op 30 september met de Nieuw Zeeland. In eerste instantie werd men ondergebracht in een boarding house, waar men het slecht had. Zo had men bijvoorbeeld maar één glas aan tafel voor 18 man. Onder leiding van Boot heeft men toen over de behandeling geprotesteerd en dat resulteerde erin dat men in hotels werd ondergebracht en dat was heel wat beter.
schip 3m.s.”Tegelberg”
Een teken van leven In zo’n oorlog hoort men aan het thuisfront niet veel. De heer Boot had al enige jaren verkering voor hij in 1939 Wangi met het m.s. Tegelberg van de KPM uit Kaapstad naar het nog vrije Nederlands-Indië. In Surabaya stapte men af en dhr Boot ging voor zijn A naar school. De school was gevestigd op het m.s. Oranje. Al snel echter werd de Oranje tot hospitaalschip gepromoveerd en de hele school verhuisde naar het s.s. Schouten van de KPM. Op het bovendek werden een paar leslokalen gesitueerd en ieder kreeg een hut. Intussen hadden de Jappen op 8 december 1941 Pearl Harbour aangevallen en stond nu de hele wereld in brand. Aanvallen van Japan op Zuid-Oost-Azie volgden en kwamen in de richting van Indië. De school, het s.s. Schouten werd gevorderd en ging dienst doen als luchtverkenningsschip bij Madura, tegenover Surabaya. Boot was hiermee zijn onderkomen kwijt. De leerlingen werden verdeeld over de stad en de cursussen werden verder gegeven in het zeevaartschooltje dat luisterde naar de naam Dinojo. In januari ’42 werd Surabaya voor de eerste keer zwaar gebombardeerd, waarbij veel schade ontstond. Het schoolbezoek werd vrij onregelmatig en gegeven de opdringende vijand werd besloten te trachten Indië te verlaten. Men probeerde Indië te verlaten Men nam de trein naar Tjilatjap in Zuidwest Java, want men had gehoord, dat daar nog schepen binnen lagen. Toen men daar aankwam, was net het laatste schip een uur weg. Dit gebeurde in de eerste week van maart. Wat nu te doen? Men probeerde Bandung te bereiken. Daar aangekomen adviseerde men van het kantoor van de Mij. “Nederland” om naar het Jaarbeursgebouw te gaan. Men hoorde echter dat het m.s. Poelau Bras teruggekeerd was naar Wijnkoopsbaai, ook aan de Zuidwestkust van Java en deze waagde nog een poging om weg te komen. Onderweg kwam men echter een auto met Nederlanders tegen die hen adviseerde om terug te gaan, want zij waren al door de Jappen beschoten. De Poelau Bras was inderdaad teruggekeerd en heeft toch nog veel mensen aan boord genomen. Door de wanorde die er heerste weet men niet precies hoeveel mensen er aan boord waren, maar men schat 260, waaronder 81 bemanningsleden. De Poelau Bras kwam niet ver. Zij werd door vliegtui gen onderschept en gebombardeerd. Totaal wisten 116 opvarenden de wal te bereiken wat inhoudt dat er 144 mensen omkwamen, waarbij 37 bemanningsleden. Na het advies rechtsomkeert te maken ging Boot met zijn metgezellen (wtk.’s van de cursus) terug naar Bandoeng en meldde zich in het Jaarbeursgebouw. ’s Nachts was hij echter heel onrustig en verliet met een collega het gebouw. De nacht werd verder doorgebracht op een bank in het park. Toen hij ’s morgens wakker werd, kwamen de Jappen al op de fiets langs. Waar hij bang voor was geweest gebeurde ook: het Jaarbeursgebouw werd afgesloten en er kwam niemand meer uit. Hij werd ingekwartierd bij een familie en voorzag van hieruit diverse collega’s die nog in het jaarbeursgebouw zaten, van eten. Dit heeft hij een tijdje kunnen doen maar het werd te gevaarlijk. Op een dag hoorden ze dat de cursus in Surabaya weer begon. Met de trein naar Surabaya, brutaal tussen de Jappen in de 1e klascoupé. Geïnterneerd Aangekomen in Surabaya bleek dat er helemaal geen cursus was en kwam er een eind aan zijn betrekkelijke vrijheid. Hij werd geïnterneerd en later naar Malang getransporteerd. Hier werden ze in een school opgesloten. Daarna volgde er een treintransport van meer dan een dag in een goederenwagon, zonder eten en vooral drinken, naar het Kesilirkamp in het oosten van Java bij Banjuwangi. Het kamp moest geschikt gemaakt worden voor 70.000 Europeanen en dat waren alle blanken die op Java woonden. Boot behoorde bij de eerste groep, die daar aankwam. Kersilir was een landbouwkolonie van de HVA (Handelsvereniging Amsterdam) Oliebonen kweken De bedoeling was dat men groente zou gaan kweken en een struik die men Djarak noemde. Deze struik leverde bonen en uit die bonen perste men smeerolie die men voor vliegtuigen gebruikte. Dit laatste werd gesaboteerd. De struik groeide uit een boon en voor men de boon in de grond stopte werd hij eerst gekookt. De Jap snapte er niets van. Met eigen ogen zag hij dat ze gepoot werden en toch kwam er niets op. De groenteen vruchtenteelt voor eigen gebruik en handel liep echter voortreffelijk. Ze verbleven hier ruim een jaar en kregen toen van een hoge Jap te horen, dat ze hard genoeg gewerkt hadden en dat ze uit mochten gaan rusten. Nou dat liep anders. Men werd op transport gesteld naar Banjuberi, een inlandse strafgevangenis te Ambarawa. Hier brak een dysenterie epidemie uit en er stierven honderden mensen. Voor 1650 mensen was hoop en al één kraantje. Men zat met 100 man in een cel van 10 bij 10, waar men opgevreten werd door de luizen. Boot verbleef hier van augustus 1943 tot 5 februari 1944 en werd toen overgebracht, eerst naar Bandung en later naar Batavia. Men kreeg hier te eten om aan te sterken, omdat naar wat later bleek de Jappen wat men hen van plan waren. In de nacht van 15 september 1944 (de landingen in Normandië hadden allang plaatsgevonden) gaat Boot op weg met nog 1100 man, van het kamp waarin zij lagen naar het station in Batavia. Vandaar gaat het naar Tandjong Priok. Daar aangekomen, gaat men naar de binnenhaven bij de loodsen van de KJCPL. Daar arriveert even later nog een grote groep Europeanen en Amerikanen. Totaal 2300 blanken. Later komen daar nog 4200 Romusha’s bij (Romusha = dwangarbeider). Allen worden ingescheept op de Junyo Maru. Als haringen in een ton worden ze in de ruimen gestampt, maar daar passen ze niet allemaal in, dus blijven er ook aan dek. De Romuska’s op het voorschip, de blanken op het achterschip. Het is tegen drieën als het schip loskomt van de kade. De temperatuur is bijna ondragelijk. Men gaat op de rede voor anker. Na ruim een etmaal op de rede gelegen te hebben, vertrekt de Junyo Maru in de namiddag van zaterdag 16 september 1944 voor wat zijn laatste reis zal worden. Zij worden geëscorteerd door een korvet en een gunboot. Na een dag komt men in noodweer terecht met enorme plensbuien. Boot heeft aan dek een plaatsje bij een winch gevonden. Hij heeft zijn gouden verlovingsring om, die door één van de bewakers wordt opgeëist. Hij krijgt hem echter niet af en Boot wordt onder de bak opgesloten, met de mededeling dat de ring later wordt opgehaald. Gelukkig weet hij zich te bevrijden en als hij later dezelfde bewaker ziet, duikt hij het ruim in.  Voor de 2e keer getorpedeerd Op 18 september om 6 uur ’s avonds vindt er een enorme explosie plaats in het voorschip, vrij snel gevolgd door een tweede in het achterschip. Binnen een kwartier zinkt het schip. Velen zijn overboord gesprongen, maar nog meer en dan vooral Romusha’s zijn mee de diepte in gegaan. De gunboot en het korvet hebben het eerste uur een aantal drenkelingen gered en zijn toen naar de wal gevaren om hun daar af te zetten. Het korvet vaart naar Padang en komt daar ruim 24 uur later aan. Hij keert niet terug naar de plaats des onheils. De gunboot vaart wel een paar keer heen en weer, maar men gaat daar zeer selectief te werk. Men laat vele aan hun lot over. Hoe vergaat het Boot bij deze ramp? Hij ziet kans om uit het ruim te komen en is niet eens gelijk over boord gesprongen. Hij heeft anderen nog geholpen of geprobeerd te helpen. Op een gegeven moment moest hij zelf springen en heeft daarbij een kussen meegenomen. Hij heeft een luikplank bemachtigd en nadat hij al zijn kleding uitgedaan had, heeft hij het kussen op de plank gelegd en is er zelf ook op gaan liggen Met zijn handen kon hij zich zo voortbewegen. Hij zag dat het korvet een aantal Jappen uit een sloep overnam en probeerde ook aan boord te komen. Maar alle niet Jappen werden weggeslagen. Hij is toen naar de andere kant van het korvet gepeddeld en daar hebben andere drenkelingen die al aan boord waren, hem omhoog gehesen. Alle drenkelingen komen uiteindelijk in Padang terecht en worden in een stinkende gevangenis gestopt. Het slotappèl vermeldt 680 van de 2300 krijgsgevangenen en slechts 200 van de 4200 Romusha’s. Totaal kwamen bij deze ramp 5620 mensen om het leven. Verantwoordelijk voor de torpedering was de Engelse onderzeeër Tradewind. Weer op transport Het is 21 september en men wordt weer op transport gesteld. Twee dagen later arriveren de eerste overlevenden van de ramp op de plaats waar de reis naar toe was, namelijk PAKAN BAROE. Van hieruit willen de Jappen een spoorweg aanleggen naar Moeara, van 220 km lengte. Men is er al vier maanden mee bezig als de schipbreukelingen van de Junyo Maru op het appel verschijnen. Het aanleggen van de spoorlijn Velen zullen hier nog het leven laten Het zou te ver gaan om alle ellende die dhr Boot heeft meegemaakt, weer te geven, maar een opsomming van werkzaamheden kan niet achterwege blijven. Zo moesten er dijklichamen opgeworpen worden en rails en bielzen vanuit de haven van Pakan Baroe naar de dijk gedragen worden. IJzeren rails die de hele dag in het gloeiende zonnetje had gelegen moesten zo op de naakte schouder. Ook moesten ijzeren nagels bij de bielzen worden gelegd en anderen moesten die er met voorhamers inslaan. Er moesten sleuven door de rotsen gehakt worden en ook moesten er bruggen over twee rivieren geslagen worden. Met eigengemaakte en handbediende heistellingen ramde men de palen in de rivierbeddingen. Vaak worden deze weer mee gesleurd door de rivier wanneer deze na zware regenval met donderend geraas kolkend langs komt. Het eten was bijzonder slecht, men had bijna geen kleding en schoeisel en er heersten veel besmettelijke ziekten. De malariamug kwam veelvuldig voor en ook Boot kreeg er een prik van, wat ook bij hem veel ellende veroorzaakte. Artsen en verplegers hadden handen vol werk. Ook een enorme ellende veroorzaakte de Koreaanse bewakers, die er constant op los sloegen en niet eerder tevreden waren totdat er bloed vloeide, wat dan weer de nodigde ontstekingen veroorzaakte. Niet minder dan 13 kampen verschenen langs de spoorweg. Het ene nog slechter dan het andere en ieder met zijn eigen begraafplaats, waar dagelijks begraven werd. Dhr Boot heeft dit alles overleefd, maar van de 4.967 ingezette krijgsgevangenen kwamen er langs de spoorweg 698 om het leven. Van de Romusha’s kwamen er meer dan 9.000 om. Op 15 augustus 1945 capituleerde Japan en hoefde men niet meer aan de spoorlijn te werken. Deellende was echter nog niet achter de rug, want men was nog lang niet thuis. De atoombommen op Hiroshima en Nagaskai redden Boot het leven zoals hij zelf zegt. Hij was toen net weer ziek. Had aanvallen van malaria en dysenterie en was aan het eind van zijn krachten. Zijn dijbenen waren zo dik als zijn polsen nu en hij woog naar schatting nog hooguit 40 Kg. Nu weegt hij 86 Kg en is niet echt dik. Einde van de oorlog Na de capitulatie was het een chaos. Er was geen enkel bestuur. Trouwens, dat de oorlog over was kwam als een gerucht in het kamp. Waar het vandaan kwam wist niemand, maar toen men de volgende dag niet aan de spoorweg hoefde te werken bleek het gerucht waar te zijn. Twee dagen later kwamen er twee vliegtuigen over. De zijdeuren waren geopend en men zwaaide naar de mensen in het kamp en zij zwaaiden terug. Een eerste teken van leven van buiten het kamp, tranen vloeiden. Nog een dag later volgde een dropping van voedsel. Echter niet overdadig. Men kreeg beter te eten. Om de drie dagen werd er een karbouw geslacht en zo kreeg men weer vlees, maar ook de rijst hoeveelheden werden groter. Sommigen overaten zich en moesten dat met de dood bekopen. Binnen een week gingen de Engelsen die bij hen in het kamp zaten al op transport via de door hen gemaakte spoorweg naar Pakan Baroe. Dhr Boot is in de stellige overtuiging dat zij al thuis waren toen de Hollanders nog in het kamp zaten. Zij werden hier verzorgd en dat benadrukt dhr Boot, door de Jappen. Geen Engelse, geen Amerikaanse, geen Nederlandse militair liet zich zien in het kamp. Het is half september als ze allemaal overgebracht worden naar Pakan Baroe, waar ze weer in een kamp terechtkomen. Hen wordt ontraden om buiten het kamp te komen i.v.m. de vijandige houding van de inlandse bevolking. Na enkele weken in dit kamp gezeten te hebben, blijkt men op zoek te zijn naar koopvaardijmensen, want er moeten schepen bemand worden. Zo komt Boot dan uit dit kamp. Ze worden overgebracht naar Palembang en komen daar in de sociëteit terecht. Hier ontmoetten de andere koopvaardijers o.a. mensen die de ondergang van de Poelau Bras overleefd hadden. Hier zien ze ook de eerste geallieerde soldaten. Het zijn Churka’s en deze houden de vijandige bevolking op afstand. De leiding en organisatie in de sociëteit is nog in handen van de Jappen en we spreken al over twee maanden na de capitulatie. Eerste reis per vliegtuig Zo’n drie weken later worden ze met twee Dakota’s naar Singapore overgevlogen. De eerste vliegreis van Boot in een toestel dat nog ingericht was voor het vervoer van parachutisten. Hij vond er niets aan. Na aankomst werden ze op een vrachtwagen geladen. Het waren overwegend zeelieden, van allerlei nationaliteiten. Eerst kwamen ze in een vrouwenkamp. Ze schaamden zich rot want ze hadden nog vrijwel allemaal overwegend hun kampkleren aan. Wel een groot gejuich, maar ze mochten er niet blijven. Een paar andere kampen konden hen ook niet hebben en uiteindelijk werden ze ondergebracht in een paar huizen vlak bij de Cathaibioscoop, midden in Singapore. Een Engelse officier had er de leiding en hij zorgde ervoor dat ze voor het eerst wat kleding kregen. Ook kregen ze voor het eerst geld, wel 25 Singapore dollars. Dhr Boot kocht er het bekende Change Alley-ondergoed en er een overhemd voor. Na een kleine week gaat men aan boord van de Nieuw Amsterdam en op weg naar Southampton.
Mazelenepidemie Onderweg breekt er een mazelenepidemie uit. Boot meldt zich als vrijwilliger om te helpen. Een deel van het schip wordt quarantainegebied en weer had hij een beperkte vrijheid. In Suez werden alle opvarenden met lichters naar de wal gebracht en van winterkleding voorzien. Boot lag echter met een malaria aanval te kooi. Hem werd ruwweg wat kleding aangemeten. U begrijpt het al: het paste van geen meter. Maar hij moest het er wel mee doen. Net na nieuwjaar kwamen ze in Southampton aan. Omdat de Waterweg en de grote sluis bij IJmuiden nog niet geschikt waren voor zulke grote schepen als de Nieuw Amsterdam, werden de passagiers in twee keer met het kleinere Engelse passagiersschip Almazora naar Amsterdam gebracht.
schip 4s.s.”Nieuw Amsterdam” HAL
Terug in Holland Hij arriveerde 8 januari 1946 in Nederland en was sinds november 1939 buitengaats geweest. In al die tijd was er een enkele summiere Rode Kruismelding bij de familie thuis aangekomen. Op de sluis in IJmuiden zag het zwart van de mensen, een prachtig welkom! Maar voor de rest was het welkom in Nederland een deceptie. Men was allang met de wederopbouw van Nederland begonnen en de bevrijding was al acht maanden geleden een feit. Men had geen erg in de mensen die uit lndië kwamen en die het stuk voor stuk, dus niet één uitgezonderd, erg zwaar hadden gehad. Allemaal hadden ze in kampen gezeten. Met een auto werd Boot vanuit Amsterdam naar Nieuw-Beijerland gebracht. Daar zaten zijn ouders en zijn verloofde, omdat het huis van zijn ouders in Nieuw Helvoet in geïnundeerd gebied lag. Toch ging hij met zijn verloofde naar Nieuw-Helvoet en trok bij zijn oudste broer in. Na een paar dagen ging hij terug naar Amsterdam naar de Mij. “Nederland”. Vanwege zijn lichamelijke gesteldheid achtte men het daar beter, dat hij naar school ging en niet naar zee. Hij bleef dus voorlopig thuis, maar het gebeurde ook anders. Ik ken het verhaal van een magazijnmeester, waar ik mijn eerste reis mee maakte. Die kwam ook in 1946 thuis met het m.s. Talisse. Toen ze 14 dagen thuis waren werd de gehele bemanning gevraagd of ze een reisje van zes weken uit en thuis wilden maken naar Belawan, om een aantal dieptanken met palmolie te halen. Vrijwel iedereen stemde toe. Precies 21 maanden later kwamen ze weer thuis. Boot ging dus weer naar school. Gelukkig had hij nog wat centen op de giro staan, want van de “Nederland” kreeg hij niets, zelfs geen voorschot. Hij ging naar school in Den Briel en kreeg les van dhr. Belgraver. Hij slaagde 25 juni 1946 en was ook lichamelijk zover hersteld dat hij weer naar zee kon. Van zijn malaria was hij ook af. Hij had een grote hoeveel eid kininepillen opgespaard en die bij een nieuwe aanval ingenomen, allemaal tegelijk. De malaria kwam nooit meer terug. Op 3 augustus monsterde hij voor het eerst na de oorlog aan en wel op het m.s. Saparoea. Hij was bevorderd tot 3e wtk. Met regelmaat behaalde hij zijn diploma’s en werd na het behalen van zijn C-2 bevorderd tot de hoogste technische functie aan boord, namelijk Hwtk. Na twee reizen op de Saparoea trouwt dhr Boot op 26 februari 1947 met het meisje waar hij voor de oorlog al mee verloofd was. Ze kregen twee kinderen, een zoon en een dochter. Zij moesten echter niets van de zee hebben. Na die 26e februari 1947 deed Boot dienst op de volgende schepen en wie van ons heeft zo’n lijst? De schepenlijst van Dhr. Boot m.s. Tabinta, s.s. Roepat (was door de 3e klas van de HBS in Den Briel geadopteerd), m.s. Madoera, m.s. Ceram, m.s. Madora, m.s. Saparoea, m.s. Tabinta, s.s.Lawak, s.s. Rotti, m.s. Oranje (als gemonsterd passagier), m.s Batjan, m.s Kaap Hoorn, m.s. Batu, m.s. Karimun, s.s. Riouw, s.s. Roepat, m.s. Neder Rhone, m.s. Neder Weser, m.s. Cameroenklust, m.s. Karachi, m.s. Batu, m.s.Neder Rhone, m.s.Karachi, m.s Batu m.s.Bintang, s.s. Rondo, s.s.Billiton, m.s. Karimun, m.s. Karachi s.s. Bengalen, m.s. Batu, m.s. Banda, m.s.Oldekerk, m.s. Serooskerk, m.s. Simonskerk, m.s.Madison Lloyd, m.s. Banda, m.s. Streefkerk, m.s. Main Lloyd, m.s. Serooskerk en op 14 januari 1977 werd voor de laatste keer afgemonsterd van het m.s. Mersey Lloyd, na een laatste reis naar Nieuw Zeeland te hebben gemaakt. Dhr Boot werd op 1 mei 1977 gepensioneerd, na een zeer bewogen zeemansleven. Onderscheidingen Op 4 februari 1955 had hij het oorlogsherinneringskruis ontvangen en op 15 april 1977 werd hij benoemd tot Ridder in de orde van Oranje-Nassau en wie had dat meer verdiend dan hij?! Meneer Boot, ik ben u dankbaar dat u uw verhaal hebt willen vertellen, al heeft het soms moeite gekost en heeft u lang niet alles verteld. Ook bleek het ophalen van deze herinneringen emoties op te roepen, maar u vertelde dat het ook wel goed was om het verhaal te vertellen. Ook u, mevrouw Boot, bedankt voor uw vriendelijk onthaal. Mijn gesprek was niet alleen met een echte zeeman, maar ook met een echte zeemansvrouw. Ik wens u nog vele gezonde jaren. P.S. De Wangi Wangi werd getorpedeerd door de U103 die onder commando stond van kapitein luitenant ter zee Schutze.
Bewaarnummer: 18060701